Voeding en depressie – meer dan een onderbuikgevoel?

Van het eten van een stukje chocolade worden veel mensen in eerste instantie dolgelukkig, zo schijnt. Mensen met overgewicht lijden echter vaker aan een depressie dan mensen met een normaal gewicht. Zelf ook weleens de illusie of wens gehad dat het eten van een bepaald voedingsmiddel je depressieve stemming zou kunnen verbeteren? Het lijkt voor de hand liggend dat het gebruik van supplementen met omega-3-vetzuren effectief is in het voorkomen en behandelen van depressies. Omega-3-vetzuren zijn tenslotte belangrijke bestanddelen van de hersenen, nietwaar? Er doen zelfs geruchten de ronde dat ook de microben in je darmen het vermogen hebben om je gemoedstoestand te beïnvloeden. Dat moeten dan wel echt hele blije bugs zijn, om zo’n verstrekkende invloed te kunnen hebben. Verslag van een opgewekte zoektocht naar de relatie tussen onze voeding en depressie.

Omega-3-vetzuren zijn onmiskenbaar essentiële bestanddelen van een gezond voedingspatroon. Mede door slimme marketing en berichtgeving in de media zijn visoliecapsules, rijk aan de lange ketenvetzuren EPA en DHA, dan ook zeer goed verkopende producten. De onderzoeksresultaten van de afgelopen jaren, met betrekking tot de aan de visvetzuren toegeschreven welhaast magische krachten, zijn echter helemaal niet zo eenduidig.

Zo gezond als een vis

Zo concludeerde een in september 2012 gepubliceerde systematische review in het gezaghebbende Amerikaanse medische tijdschrift JAMA, dat noch extra consumptie van vis, noch het gebruik van visoliecapsules het risico op een hersenbloeding, hartaanval of overlijden doet verminderen.1 In juni van 2012 bleek uit een review gepubliceerd door de Cochrane Collaboration, een onafhankelijke organisatie die evidence-based onderzoek promoot, dat visoliecapsules niet helpen om cognitieve achteruitgang te voorkomen.2 En onderzoekers van de Yale University concludeerden in 2011 op basis van een meta-analyse dat omega-3-supplementen niet helpen om depressies te verlichten.3 Dat wil echter niet zeggen, ook al werden deze resultaten gepubliceerd in gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften of door betrouwbare instanties, dat deze resultaten definitief uitsluitsel over de onderzochte kwesties geven. In dit type analyses worden studies met een verschillende opzet en kwaliteit op een hoop gegooid en de uitkomsten van dergelijke analyses zijn dan ook nooit beter dan die van de studies waarop ze gebaseerd zijn.

Een belangrijke reden voor deze toch wel teleurstellende resultaten is dat de meeste mensen al voldoende visvetzuren binnenkrijgen; meer omega-3-vetzuren bovenop een voedingspatroon dat al veel omega-3-vetzuren bevat, is simpelweg van weinig toegevoegde waarde. Daarnaast wordt het onderzoek naar de effecten van omega-3-vetzuren bemoeilijkt door andere factoren, zoals dat het onderzoek hoofdzakelijk plaats heeft gevonden in zieke en niet in gezonde populaties en het veelvuldige gebruik van medicatie (aspirine, statines), dat het waarnemen van de effecten van visoliesupplementen ernstig bemoeilijkt.4

Omega-3-vetzuren: liever iets dan niets

Zo werd de geldigheid van de resultaten van de meta-analyse uit 2011 naar de effecten van omega-3-vetzuren op het behandelen van depressie, stevig bekritiseerd door een groep Noorse en Britse onderzoekers.5 Zij droegen bewijs uit een andere meta-analyse aan, waarvan de resultaten suggereerden dat suppletie met minimaal 50% EPA wel degelijk resulteert in een verlichting van depressieve klachten.6 Daarnaast rest ook de vraag of het daadwerkelijk om de dosis en het type omega-3-vetzuren gaat, of dat de specifiek ratio van omega-3 en omega-6 vetzuren van groter belang is.7  

Wanneer je geen vis lust dan valt te overwegen om omega-3 supplementen te gebruiken; iets is beter dan niets en het gebruiken van supplementen lijkt veilig te zijn. De omega-3-vetzuren spelen belangrijke rollen in het lichaam en zijn essentiële bestanddelen van een gezond voedingspatroon. In de behandeling van depressie zijn het zeker geen wondermiddelen en de precieze effecten blijven voorlopig onduidelijk. Op basis van de huidige kennis met betrekking tot de consumptie van omega-3-vetzuren adviseer ik het volgende: liever iets dan niets (haal ze bij voorkeur uit echt voedsel), en liever wat meer dan wat minder.

Mensen met obesitas vaker depressief

Mensen met obesitas hebben een ongeveer 55 procent verhoogd risico op het ontwikkelen van depressie. Deze relatie is bi-directioneel: mensen met een depressie hebben ook een groter risico op het ontwikkelen van  overgewicht.8 Meer vet rond de buikorganen en slechte eetgewoonten zijn geassocieerd met het ontwikkelen van depressie gedurende obesitas, maar aan de andere kant zijn mensen met een depressie ook eerder geneigd om in gewicht aan te komen door slechte voedingskeuzes en weinig lichaamsbeweging.9

Hoe beïnvloedt een fysieke aandoening als obesitas ons gemoed? Volgens een groep Canadese onderzoekers suggereert een toenemende hoeveelheid wetenschappelijk bewijs dat metabole afwijkingen die worden veroorzaakt door centrale obesitas, en die eveneens geïmpliceerd zijn in het ontwikkelen van diabetes en andere aan obesitas-gerelateerde aandoeningen, ook verantwoordelijk zijn voor de toegenomen incidentie van depressie bij mensen met obesitas.9 Met andere woorden, een grote hoeveelheid vet rond de organen in de buikholte resulteert in metabole verstoringen, die zowel direct als indirect een rol spelen in de regulatie van emoties en stemmingen.

Zo leidt centrale obesitas o.a. tot veranderingen in concentraties van glucocorticoïden, uitscheiding van adipokinen zoals leptine, adiponectine en resistin, het hormoon insuline en zogenaamde cytokinen, signaalstoffen die worden uitgescheiden door verschillende weefsels en die een belangrijke rol spelen in het in gang zetten van ontstekingsreacties.9

Vet beschadigt de hersenen

De milde, chronische staat van ontsteking die zo kenmerkend is voor centrale obesitas, gaat gepaard met een verhoogde uitscheiding van cytokinen afkomstig uit het vetweefsel en andere ontstekingsbevorderende moleculen. Resultaten van een in 2012 gepubliceerde studie wekten de suggestie dat door overvoeding veroorzaakte obesitas, bij zowel knaagdieren als mensen resulteert in door ontsteking veroorzaakte beschadiging van de hypothalamus, een hersengebied dat een belangrijke rol speelt in de regulatie van de voedselinname.10

Hoewel lange tijd werd gedacht dat de hersenen beschermd zouden blijven voor de uit het vetweefsel afkomstige cytokinen, blijkt uit steeds meer onderzoeksresultaten dat niet het geval te zijn. Uit recent gepubliceerde resultaten van een zeer interessant experiment blijkt IL-1, een uit het vetweefsel afkomstige cytokine, schade te veroorzaken in de hippocampus van obese muizen, met ernstige gevolgen voor het geheugen en het denkvermogen.11

Om definitief te kunnen vaststellen of IL-1 afkomstig uit het vetweefsel inderdaad de schade in de hersenen veroorzaakte, werd bij een deel van de muizen een extreme versie van een liposuctie uitgevoerd, waardoor ze na de operatie plotseling weer slank door het leven gingen. Na herstel van de operatie bleken de concentraties IL-1 tot praktisch nul te zijn gereduceerd en doorstonden de muizen de cognitieve tests met vlag en wimpel. Omgekeerd presteerden muizen waarbij vetweefsel werd geïmplanteerd onmiddellijk slechter op de tests, ze werden met andere woorden direct dommer door het zojuist geïmplanteerde vetweefsel.11

De schadelijke effecten van obesitas blijven niet beperkt tot alles wat zich onder de nek bevindt.

Uit verdere tests bleek dat lichaamsbeweging (de muizen werden op een loopband gezet) volledige bescherming bood tegen de schadelijke effecten van obesitas in de hersenen. Daarnaast bleek ook directe blokkering van het IL-1 signaal in de hersenen schade aan de hippocampus en cognitieve achteruitgang te voorkomen. De onderzoekers concludeerden dat de neurologische ontstekingsprocessen die door IL-1 in gang worden gezet, een centrale rol lijken te spelen in het veroorzaken van de cognitieve achteruitgang die geassocieerd wordt met obesitas en diabetes.11

Emotionele reacties op geconsumeerde voeding kunnen toekomstige consumptie grotendeels bepalen en leiden tot overconsumptie. Wat steeds meer duidelijk wordt is dat de voedingsstoffen zelf op de langere termijn een rol spelen in hoe we ons gedragen en voelen via directe acties op het centrale zenuwstelsel of indirect, door beïnvloeding van het energiemetabolisme, de endocriene functies, en het immuunsysteem.9

Kortom, het lijkt er sterk op dat de schadelijke effecten van obesitas niet beperkt blijven tot alles wat zich onder de nek bevindt, maar zelfs fysieke schade aan de hersenen toebrengt en op deze wijze een rol kan spelen bij het veroorzaken van cognitieve achteruitgang en mogelijk ook depressie. De schadelijke effecten van obesitas blijven niet beperkt tot een aantal specifieke onderdelen van het lichaam; de schadelijke effecten van obesitas zijn alomvattend, finaal en desastreus.

Hoog vet-dieet veroorzaakt ‘leaky gut’

Meer en meer onderzoek linkt de populatie bacteriën in de darm aan allerlei condities zoals obesitas en diabetes.12 Daar houdt het echter niet bij op, want er doen ook steeds meer geruchten de ronde dat de miljarden bacteriën in de darm onze gemoedstoestand beïnvloeden. Het lijkt in eerste instantie te gek voor woorden, deprimerende bacteriën die bepalen wat we denken, doen en voelen. Hoe dan, in godsnaam? Weleens last gehad van je onderbuik omdat je een belangrijke presentatie moest geven of ergens anders heel erg zenuwachtig voor was? Steeds meer bewijs suggereert dat de darmbacteriën onze fysiologie beïnvloeden via de sterke en directe connecties die er bestaan tussen het spijsverterings- en het centrale zenuwstelsel.

De bacteriën in onze darmen onderhouden een bijzondere relatie met ons immuunsysteem. Zolang de bacteriën ons lichaam niet binnendringen gaat het goed, maar wanneer dat wel gebeurt dan kan dat enorme problemen veroorzaken. De celwand van gramnegatieve bacteriën bevatten lipopolysacchariden, ook wel endotoxinen genoemd, die een sterke immuunreactie veroorzaken en in grote hoeveelheden zelfs dodelijk zijn. Resultaten van een in 2007 gepubliceerde studie lieten zien dat muizen op een vetrijk dieet meer endotoxinen in hun darmen hadden, waardoor de darmwand toegankelijker werd (een zogenaamde leaky gut) en de endotoxinen het immuunsysteem activeerden, uiteindelijk resulterend in een chronische staat van ontsteking, insulineresistentie en obesitas.13 Ook bij mensen werd inmiddels aangetoond dat een typisch Westers voedingspatroon rijk aan vet, de gehaltes van endotoxinen in het bloed sterk doet toenemen.14 Ook depressie is geassocieerd met een verhoogde immuunrespons tegen de van bacteriën-afkomstige lipopolysacchariden, wat suggereert dat deze translocatie van bacteriële bestanddelen een belangrijke rol speelt in het veroorzaken van de met depressie gepaard gaande ontstekingsreacties.15

Neurotransmitters en super bugs

Het vermogen van bacteriële pathogenen om het gedrag van mensen te beïnvloeden is al tientallen jaren bekend en verloopt meestal via directe invasie van het centrale zenuwstelsel. Het wordt echter ook steeds duidelijker dat bacteriën op een non-invasieve wijze communiceren met het neurologische systeem van de mens en zo het gedrag kunnen beïnvloeden. Dit is mogelijk doordat het spijsverteringsstelsel een eigen zenuwstelsel bezit, dat een constante communicatie onderhoudt met het centrale zenuwstelsel, via onder andere de nervus vagus, een zenuwbaan die een directe verbinding vormt tussen de hersenen en ons maagdarmstelsel.16 Er wordt verondersteld dat verstoring van de communicatie via deze spijsverteringsstelsel-hersenconnectie onder andere kan resulteren in het ontwikkelen van mentale stoornissen, waaronder depressies.17

De wijze waarop darmbacteriën ons gedrag zouden kunnen beïnvloeden is door het produceren en herkennen van exact dezelfde stofjes, als de neurologische stofjes die ons lichaam zelf produceert (waaronder neurotransmitters) en die in onze hersenen zo’n belangrijke invloed uitoefenen op onze stemming en gedrag. Deze vorm van communicatie tussen verschillende rijken, die gebaseerd is op tweezijdige interactie tussen de darmbacteriën en de neurofysiologie van de mens, wordt ook wel microbiële endocrinologie genoemd.16

Onze darmbacteriën produceren een overvloed aan neuro-actieve stoffen zoals catecholamines (waaronder adrenaline) en histamine, die via directe interactie met receptoren in de maag en darmen, of indirect via opname in de circulatie ons centrale zenuwstelsel kunnen beïnvloeden.16 Ook van de welbekende neurotransmitters dopamine, GABA en serotonine is aangetoond dat ze door bepaalde darmbacteriesoorten kunnen worden geproduceerd.18

Zij houden ons in de gaten en wij hen.

Eén van de bekendste voorbeelden waarop een pathogeen het gedrag van de gastheer beïnvloedt is dat van de Toxoplasma gondii-infectie in ratten en muizen, waarbij het gedrag van de knaagdieren zo ernstig verandert dat de angst voor katten volledig verdwijnt.19 De angst voor (de geur van) katten verandert na infectie zelfs permanent, wat suggereert dat de microbe structurele veranderingen in de hersenen veroorzaakt. Toxoplasma gondii kan zich alleen maar reproduceren in de maag van de kat, wat een evolutionaire verklaring vormt voor dit verschijnsel: de bacterie kan zijn levenscyclus alleen vervolmaken wanneer zijn gastvrije knaagdier wordt opgegeten.20

De bevinding dat Campylobacter jejuni, toegediend in lage hoeveelheden, angstgedrag veroorzaakte bij muizen via de zenuwbanen en zonder een immuunreactie te veroorzaken, was de eerste demonstratie van beïnvloeding van gedrag door darmbacteriën.21 Waar in eerste instantie de aandacht uitging naar de effecten die bacteriën bij de gastheer teweeg konden brengen, blijkt nu dat ook de eigenschappen van de bacteriën zelf een belangrijke rol spelen en er daadwerkelijk sprake is van een constante uitwisseling van informatie tussen gastheer en darmbacteriën. Het feit dat de bacteriën exact dezelfde neurotransmitters produceren suggereert een bi-directionele omgeving waarbij de populatie darmbacteriën, ofwel het microbioom, de gastheer beïnvloedt en de gastheer het microbioom. Kortom, “zij houden ons in de gaten” en “wij houden hen in de gaten”.16

Psychobiotica: een nieuwe vorm van antidepressiva?

Interessant om te vermelden is het onderzoek dat momenteel gaande is naar de toepassing van zogenaamde psychobiotica. Psychobiotica zijn een vorm van probiotica, die wordt gedefinieerd als een levend organisme, die wanneer in adequate hoeveelheden wordt ingenomen, een gezondheidsverbetering oplevert voor patiënten met een psychiatrische aandoening.18 Irritable bowel syndrome of prikkelbaredarmsyndroom (IBS) is een aandoening die vaak ook gepaard gaat met depressie en angstsymptomen. Er zijn al meerdere klinische studies uitgevoerd in o.a. patiënten met IBS waarbij is aangetoond dat behandeling met probiotica resulteerde in vermindering van depressieve klachten.22-26 Deze resultaten suggereren dat toediening van bepaalde psychobiotica inderdaad de gemoedstoestand kan beïnvloeden.18

De meeste bacteriën hebben geen psychobiotisch potentieel, laat dat duidelijk zijn. De studies die uitgevoerd zijn hebben echter wel laten zien dat het uitvoeren van klinische studies met probiotica bij patiënten met depressies het onderzoeken waard zijn. Tot slot, de patiënten die de momenteel beschikbare antidepressiva gebruiken, weten de ontwikkeling van dergelijke alternatieve behandelmethoden waarschijnlijk wel te waarderen.

Alles is verbonden

De huidige maatschappij is gericht op het extreme. We leven voor die enkele momenten van extase. Ook over voeding wordt momenteel veel gedacht in termen van extremen. Denk aan super foods, specifieke nutriënten en dieethypes die ons niet alleen in één klap van al onze gezondheidsproblemen zouden kunnen afhelpen, maar ons zelfs naar het toppunt van extase zouden kunnen brengen. Tsja, wie wil dat nu niet? Het punt is dat ons lichaam daar helemaal niet op uit is, al die extremen. Het lichaam is gericht op het bewaken van de homeostase, verkiest de weg van het midden en is daarin continu gericht op het bereiken van een optimale balans.

De beginnende hardloper met een runner’s high en die dat ervaart als het ultieme geluk, beseft niet dat een dergelijk extreme fysiologische reactie van het lichaam later op de dag een enorme inzinking tot gevolg heeft. De ervaren hardloper haalt zijn schouders op wanneer iemand weer begint over het najagen van dit fenomeen en weet dat een bepaalde verstoring van de homeostase een vereiste is om beter te worden, maar dan bij voorkeur wel op een manier die het mogelijk maakt om ook de volgende dag weer een goede training af te werken. Kortom, de onstilbare, altijd naar meer verlangende geest van de mens is niet altijd in het belang van het constant balancerende lichaam, dat een neutralere toestand verkiest.

Tip: wees op je hoede voor oversimplificatie en extreme polarisatie!

Depressie is een uiterst complexe, multifactoriële aandoening. Uiteraard staat een cognitieve component vaak centraal, maar spelen vaak ook andere componenten een belangrijke rol in de ontstaanswijze en het in stand houden van een depressie, zoals een ongezond voedingspatroon, lichamelijke problemen (zoals pijn), sociale factoren (denk aan een isolement), stress (bijvoorbeeld op het werk), onvoldoende lichaamsbeweging etc. Het behandelen van een depressie gaat om deze reden dan ook het beste door een holistische benadering en niet te vertrouwen op een enkele behandelmethode. Ik denk dat dit principe geldt voor de meeste aandoeningen die een complexe ontstaanswijze kennen, zoals ook bij obesitas en diabetes het geval is. Je geneest iemand met een depressie niet door de persoon in kwestie iedere dag een visoliecapsule of een moot zalm te laten consumeren, maar wel door alle facetten waar een persoon met een depressie in zijn leven mee worstelt aan te pakken.

De kans dat een depressie te genezen is door verhoogde inname van één specifieke nutriënt is in mijn ogen volledig verwaarloosbaar. Foutieve interpretatie door de media van resultaten uit welk type onderzoek dan ook, wekt vaak de suggestie dat dit wel het geval is (de mens is helaas verzot op simplistische verklaringen voor zeer complexe vraagstukken). Dit is een illusie. Tip: wees op je hoede voor oversimplificatie en extreme polarisatie! Wondermiddelen tegen depressies bestaan niet. Voor de persoon met een depressie is het daarom aan te raden om te onderzoeken aan welke componenten van zijn of haar bestaan het schort, om zo een effectief behandelplan op te kunnen stellen. Een grondige aanpak van meerdere componenten tegelijk heeft daarbij de voorkeur en biedt de grootste kans van slagen; een depressie is een ernstige aandoening die iemands leven volledig kan beheersen en zeker geen katje om zonder handschoenen aan te pakken.

Referenties

  1. Rizos EC, Ntzani EE, Bika E, Kostapanos MS, Elisaf MS. Association between omega-3 fatty acid supplementation and risk of major cardiovascular disease events: a systematic review and meta-analysis. JAMA. 2012 Sep 12;308(10):1024-33. doi: 10.1001/2012.jama.11374.
  2. Sydenham E, Dangour AD, Lim WS. Omega 3 fatty acid for the prevention of cognitive decline and dementia. Cochrane Database Syst Rev. 2012 Jun 13;6:CD005379. doi: 10.1002/14651858.CD005379.pub3.
  3. Bloch MH, Hannestad J. Omega-3 fatty acids for the treatment of depression: systematic review and meta-analysis. Mol Psychiatry. 2012 Dec;17(12):1272-82. doi: 10.1038/mp.2011.100. Epub 2011 Sep 20.
  4. Fish Oil Supplement Research Remains Murky, 24 september 2012 http://www.scientificamerican.com/article/fish-oil-supplement-research-remains-murky/
  5. Martins JG, Bentsen H, Puri BK. Eicosapentaenoic acid appears to be the key omega-3 fatty acid component associated with efficacy in major depressive disorder: a critique of Bloch and Hannestad and updated meta-analysis. Mol Psychiatry. 2012 Dec;17(12):1144-9; discussion 1163-7. doi: 10.1038/mp.2012.25. Epub 2012 Apr 10.
  6. Martins JG. EPA but not DHA appears to be responsible for the efficacy of omega-3 long chain polyunsaturated fatty acid supplementation in depression: evidence from a meta-analysis of randomized controlled trials. J Am Coll Nutr. 2009 Oct;28(5):525-42.
  7. Ramsden CE, Hibbeln JR, Majchrzak SF, Davis JM. n-6 fatty acid-specific and mixed polyunsaturate dietary interventions have different effects on CHD risk: a meta-analysis of randomised controlled trials. Br J Nutr. 2010 Dec;104(11):1586-600. doi: 10.1017/S0007114510004010.
  8. Luppino FS, de Wit LM, Bouvy PF, Stijnen T, Cuijpers P, Penninx BW, Zitman FG. Overweight, obesity, and depression: a systematic review and meta-analysis of longitudinal studies. Arch Gen Psychiatry. 2010 Mar;67(3):220-9. doi: 10.1001/archgenpsychiatry.2010.2.
  9. Hryhorczuk C, Sharma S, Fulton SE. Metabolic disturbances connecting obesity and depression. Front Neurosci. 2013 Oct 7;7:177. doi: 10.3389/fnins.2013.00177.
  10. Thaler JP, Yi CX, Schur EA, Guyenet SJ, Hwang BH, Dietrich MO, Zhao X, Sarruf DA, Izgur V, Maravilla KR, Nguyen HT, Fischer JD, Matsen ME, Wisse BE, Morton GJ, Horvath TL, Baskin DG, Tschöp MH, Schwartz MW. Obesity is associated with hypothalamic injury in rodents and humans. J Clin Invest. 2012 Jan 3;122(1):153-62. doi: 10.1172/JCI59660.
  11. Erion JR, Wosiski-Kuhn M, Dey A, Hao S, Davis CL, Pollock NK, Stranahan AM. Obesity elicits interleukin 1-mediated deficits in hippocampal synaptic plasticity. J Neurosci. 2014 Feb 12;34(7):2618-31. doi: 10.1523/JNEUROSCI.4200-13.2014.
  12. Virginia Hughes. Gut reactions. http://phenomena.nationalgeographic.com/2013/04/08/gut-reactions/
  13. Cani PD, Amar J, Iglesias MA, Poggi M, Knauf C, Bastelica D, Neyrinck AM, Fava F, Tuohy KM, Chabo C, Waget A, Delmée E, Cousin B, Sulpice T, Chamontin B, Ferrières J, Tanti JF, Gibson GR, Casteilla L, Delzenne NM, Alessi MC, Burcelin R. Metabolic endotoxemia initiates obesity and insulin resistance. Diabetes. 2007 Jul;56(7):1761-72.
  14. Pendyala S, Walker JM, Holt PR. A high-fat diet is associated with endotoxemia that originates from the gut. Gastroenterology. 2012 May;142(5):1100-1101.e2. doi: 10.1053/j.gastro.2012.01.034.
  15. Maes M, Kubera M, Leunis JC, Berk M, Geffard M, Bosmans E. In depression, bacterial translocation may drive inflammatory responses, oxidative and nitrosative stress (O&NS), and autoimmune responses directed against O&NS-damaged neoepitopes. Acta Psychiatr Scand. 2013 May;127(5):344-54. doi: 10.1111/j.1600-0447.2012.01908.x.
  16. Lyte M (2013) Microbial Endocrinology in the Microbiome-Gut-Brain Axis: How Bacterial Production and Utilization of Neurochemicals Influence Behavior. PLoS Pathog 9(11): e1003726. doi:10.1371/journal.ppat.1003726
  17. Foster JA, McVey Neufeld KA (2013) Gut-brain axis: how the microbiome influences anxiety and depression. Trends Neurosci 36: 305–312.
  18. Dinan TG, Stanton C, Cryan JF. Psychobiotics: a novel class of psychotropic. Biol Psychiatry. 2013 Nov 15;74(10):720-6. doi: 10.1016/j.biopsych.2013.05.001.
  19. Berdoy M, Webster JP, Macdonald DW (2000) Fatal attraction in rats infected with Toxoplasma gondii. Proc Biol Sci 267: 1591–1594.
  20. Eliot Barford. Parasite makes mice lose fear of cats permanently. http://www.nature.com/news/parasite-makes-mice-lose-fear-of-cats-permanently-1.13777
  21. Goehler LE, Gaykema RPA, Opitz N, Reddaway R, Badr N, et al. (2005) Activation in vagal afferents and central autonomic pathways: early responses to intestinal infection with Campylobacter jejuni. Brain Behav Immun 19: 334–344.
  22. O’Mahony L, McCarthy J, Kelly P, Hurley G, Luo F, Chen K, et al. (2005): Lactobacillus and bifidobacterium in irritable bowel syndrome: Symptom responses and relationship to cytokine profiles. Gastroenterology 128:541–551.
  23. Messaoudi M, Lalonde R, Violle N, Javelot H, Desor D, Nejdi A, et al. (2011): Assessment of psychotropic-like properties of a probiotic formulation (Lactobacillus helveticus R0052 and Bifidobacterium longum R0175) in rats and human subjects. Br J Nutr 105:755–764.
  24. Dapoigny M, Piche T, Ducrotte P, Lunaud B, Cardot JM, Bernalier-Donadille A (2012): Efficacy and safety profile of LCR35 complete freeze-dried culture in irritable bowel syndrome: A randomized, double-blind study. World J Gastroenterol 18:2067–2075.
  25. Benton D, Williams C, Brown A (2007): Impact of consuming a milk drink containing a probiotic on mood and cognition. Eur J Clin Nutr 61:355–361.
  26. Rao AV, Bested AC, Beaulne TM, Katzman MA, Iorio C, Berardi JM, Logan AC (2009): A randomized, double-blind, placebo-controlled pilot study of a probiotic in emotional symptoms of chronic fatigue syndrome. Gut Pathog 1:6.